In de schijnwerpers:
Louis van Beek

Introductie
Enthousiast geworden via het amateurtoneel, toneelvereniging Harto in Harmelen, volgde Louis van Beek (1968) de acteeropleiding aan de Studio Herman Teirlinck. Louis is een veelzijdige persoonlijkheid. Je zou hem kunnen kennen van diverse t.v. series, het theater, van zijn werk als stemacteur bij tekenfilms of als voorlezer van luisterboeken. Op televisie was hij onder andere te zien in Pleidooi, Westenwind en Flikken Maastricht. In het theater speelde hij bij verschillende gezelschappen waaronder De Paardenkathedraal en Toneelgroep Maastricht. Ook vertaalde hij een aantal stukken voor het Vlaamse gezelschap De Spelerij.
Naast speler is hij ook schrijver en een aantal van zijn stukken zijn opgenomen in onze bibliotheek. Recent heeft hij samengewerkt met Steef de Jong voor de operette Postillon d’amour. Ook verscheen er een prentenboek: “De vergeetachtige vleermuis”.
Met flinke mokken thee en koekjes heb ik een gesprek met Louis van Beek in zijn woonkamer in Amsterdam. Een gesprek over zijn schrijverschap.
Hoe begin je aan een stuk?
Grappig, mensen vragen me dat vaker. En dan is eigenlijk het antwoord: Je klapt je laptop open en je begint. Ik geloof er niet zo in dat je op de heilige inspiratie moet wachten. Natuurlijk moet je een idee hebben van waar je het over wil hebben. Ik werk eigenlijk het liefst vanuit het gegeven: Dit gaat het verhaal zijn. Van A naar B. Het is heel simpel.
Heb je dan onderzoek gedaan?
Natuurlijk, ja. Het laatste stuk dat ik heb geschreven was met Steef de Jong. Dat was “Postillon d’amour” . Gebaseerd op een oud, totaal onbekend, vergeten boek. Na het lezen van het boek dacht ik: “Dit is niet voor niks vergeten”. Als uitgangspunt is het verhaal wel heel erg leuk. Toen ben ik bijvoorbeeld onderzoek gaan doen, vanwege een herbergscene, naar van wat men daar at in 1880.

Voor “Soeur Sourire”, heb ik een documentaire bekeken die over haar gemaakt is en een speelfilm, die ik overigens niet zo goed vond. Er is veel over haar te vinden. Google is je grootste vriend, in die zin is onderzoek wel veel makkelijker geworden. Wel de resultaten verifiëren want Google spreekt lang niet altijd de waarheid.
Bij het stuk “Mathilde” over Mathilde Willink ging het anders. Dat zat zo in mijn in mijn hoofd, dat ik daar iets mee wilde doen. Natuurlijk heb ik wel het interview gekeken met Henk van der Meijden en daar zelfs zinnetjes uit gebruikt omdat die te leuk waren om niet te gebruiken. Het was meer dat ik bij Mathilde op zoek wilde naar: wat zit er achter die façade? Wat gebeurt er als zij thuis wordt afgezet door een taxi en ze trekt de voordeur achter zich dicht? Wie ben je dan?
Die vragen zijn vooral in de liedjes verwerkt.
Dus je verzamelt dan informatie en dat heb je in groten getale naast je liggen?
Ik heb wel een enorme map met knipsels gehad ten tijde van Mathilde. Mensen stuurden, ook ongevraagd, ineens van alles op. En tegenwoordig heb ik gewoon digitale mappen met artikelen en aantekeningen. Het oude boek waar Postillion d’amour op gebaseerd is, is hooguit nog antiquarisch te krijgen.

Dus als je begint je met schrijven dan heb je je de informatie heel erg eigengemaakt?
Eigenlijk wel. Het gebeurt niet zo vaak dat ik tijdens het schrijven teruggrijp naar de informatie. De verzamelde informatie gaat op een bepaalde manier in je systeem zitten.
Het leukste vind ik het schrijven van dialogen. Dan begin ik vanuit een gesprek. Eigenlijk begin je vanuit een situatie: Er komt een postkoets oprijden en daar vallen twee vrouwen uit, omdat een as breekt. En dan vind ik het leukste om te bedenken wat ze dan zeggen. Als het goed gaat kom je in een flow en schrijf je gewoon een goede of juist bizarre dialoog.

Hoe maak je de personages verschillend?
Een jong personage spreekt anders dan een oudere. Wat ik heel leuk vind is het gebruik van stopwoordjes. Zoals tante Sidonia uit Suske en Wiske altijd “Hemel” zegt. Dan vind ik het leuk om te kijken wat een personage vaker zou kunnen gebruiken. Bij mij is het denk ik wel zo, dat de taal personages maakt.
En hoe doe je dat dan nog meer? Met stopwoordjes alleen red je het niet.
Ik schrijf ook vanuit mijn speler zijn. Door mezelf voor te stellen hoe ik het zou spelen, of hoe het zou klinken als iemand anders het zou spelen. Soms lees ik gewoon hardop dingen voor. En dan dat dan ontstaat er een bepaalde stijl voor een barones of voor een straatjongen. Dan zoek je andere woorden, zoek je andere taal bij het personage en als het goed is moet je dat consequent volhouden natuurlijk.

Als je zit te schrijven, dan speel je het stuk eigenlijk zelf?
Ja, ik speel alle rollen die ik schrijf. Als ik een stukje heb geschreven dan lees ik dat ook hardop. Dan klink het soms te clean en dan denk ik, oh nee, dit is het niet. Dit is net te lang of de woorden passen niet bij het personage.
Ik hou ook veel van herhalingen omdat ik als speler weet dat een herhaling je kan helpen om een emotie groter te maken. Een herhaling in een lied is ook nooit hetzelfde. De tweede keer dat je iets zegt moet altijd anders klinken dan de eerste.
Als voorbeeld: een simpel zinnetje als “Ik doe het niet” twee keer in de tekst ziet staat, dan moet je daar iets mee. Ik kan de zin als schrijver twee keer opschrijven en het enige wat ik nog kan doen is achter de tweede misschien een uitroepteken te zetten. En dan nog heb je de vrijheid als speler om er iets anders van te maken.
Ik hou heel erg van vorm. Die herhalingen schrijf ik altijd heel bewust op.
Ik hou van een bladspiegel waarin hele lange zinnen afwisselen met hele korte. Dus nadat ik twee hele lange zinnen heb geschreven, wil ik eigenlijk snel dat er dan heel kort zinnetje komt. Omdat ik denk in ritmes, waardoor een stuk gaat ademen. Zeker in een monoloog moet je dat doen, want anders wordt het een enorme tekstbrij. Je moet een speler van een monoloog ook de ruimte geven om even op adem te komen. En het publiek natuurlijk ook.

Hoe sta je tegenover veranderingen in je teksten?
Steef de Jong en Paula Bangels hebben veel van mijn werkt geregisseerd. Vooral Paula Bangels respecteerde altijd wat ik schreef tot op de punt, tot op de komma. Zij zei. ook tegen spelers: “Nee. Dat staat er niet”.
Spelers denken weleens: ik flans er even een woordje tussen.
Ik snap heel goed dat je als speler denkt: ik zou dat zelf nooit zo zeggen. Maar het gaat om wat je personage zou zeggen! Ook kan de betekenis van een zin zomaar veranderen als je er iets aan toevoegt of iets weglaat.
Soms onderschatten mensen hoe lang je kan zitten schaven aan één zin. Dit is toch beter als ik het omdraai… het is toch beter als daar het woordje A in het begin woordje B wordt… bij wijze van spreken. Dat soort details, daar ben je als schrijver lang mee bezig. En als iemand daar met de botte bijl in gaat wijzigen of er gewoon zijn reet mee afveegt, dan denk ik: Ja, sorry, maar er is wel over nagedacht. Probeer het nou eerst maar eens zoals het er staat.
Maak je van tevoren een opzet van scenes?
Ik begin toch eigenlijk meestal bij het begin en ik eindig bij het eind. Bij “Mathilde” bedacht ik dat ik niet perse hoefde te beginnen met haar jeugd, maar wel in de periode toen ze nog niet bekend was. Het eindigt logischerwijs met haar dood. Daar tussendoor ga je dan verschillende fases langs. Wat wil ik hier zeggen? Wat wil ik daar zeggen? Daar kan ik nog even wat terugpakken uit een vorige een scène. Daar maak ik dan wel een schema van.

De tekst van “Bedankt, lieve ouders” is qua tijd ook niet op volgorde.
Dat stuk is al wel van even geleden, en het heeft ook verschillende versies gehad. Ik wilde bij “Bedankt, lieve ouders” een soort fotoalbum maken. Kiekjes uit hun gezin, die niet op de goede volgorde zijn ingeplakt. Dus soms zijn die zonen in dat stuk zijn 12 en soms zijn ze ineens nog maar 8 en dan zijn ze ineens volwassen. Dat heb ik bewust willen doen, zodat het wat impressionistischer werd. Het is daardoor geen wellmade play met een keurig plot en een eind.
Wat doe je als je het tijdens het schrijven even niet meer weet?
Omdat ik zoveel verschillende dingen doe, moet ik het schrijven plannen. Als ik dus een ochtend of een middag gepland heb, dan moet ik die tijd goed gebruiken. Dan kan ik me eigenlijk niet permitteren om te denken: Oh, ik ga eens even zitten wachten op de inspiratie. Het is zo dat ik dan liever iets schrijf en later bedenk dat het niet goed is en het dan herschrijf, dan dat ik niks doe.
Misschien blijkt het achteraf te lang, te uitleggerig, moet het meer show don’t tell* zijn… Dan kan je er een beetje in prutsen tot het beter wordt.
*Niet vertellen maar laten zien.

Natuurlijk lukt het het ene moment beter dan het andere.
Op het eind van “Postillon d’amour” heb ik best wel zitten puzzelen. Het eind van het boek waar het op gebaseerd is, is eigenlijk heel rommelig, vaag zelfs. Met Steef de Jong, die het ging regisseren en die ook meespeelde, heb ik daar stevige en inspirerende gesprekken over gevoerd. En op een gegeven moment denk ik dan: ik moet er gewoon aan beginnen, en toen kwam ik in een soort flow. Toen tilde het zichzelf bijna op. Toen ging het bijna vanzelf: dat gaat zo… en dit gaat zo…. nu komt die nog, dit en dan, hier een uitsmijter… en toen was het ineens klaar.
Soms ben je zelf verrast door wat je aan het schrijven bent. Want dan zie je ineens dat het een kant op gaat die je zelf niet had verwacht.
Op welk stuk ben je het meest trots?
Bijna altijd het laatste wat je gedaan hebt, hè? Dat zeggen ze dan. Maar het grappige is dat ik nog steeds heel trots ben op Mathilde. Op de productie als geheel en ook omdat ik haar zelf gespeeld heb.

Je hebt wel wat dingen verteld, maar waar kan je jouw stukken aan herkennen?
Dat is een moeilijke vraag. Aan de schrijfstijl die ik net heb beschreven misschien? Ik probeer altijd heel helder te schrijven zonder plat te worden en poëtisch te schrijven zonder te hoogdravend worden.
Wat vind je een subliem of sublieme stukken van anderen?
De stukken van Maria Goos. Haar vind ik een koningin. Toen ik “Familie” zag, dacht ik, dit had ik wel willen schrijven. Die vrouw schrijft fantastische dialogen. Zij is wel een voorbeeld. Omdat je bij haar denkt: het is net even boven de werkelijkheid uitgetild. Het is een feest om een tekst van haar te spelen.
Er zijn ook heel veel van amateur schrijvers. Wat zou je daarvoor advies aan geven?
Begint met een goed idee waar je zelf van denkt: ja, dat zou ik nou zo leuk vinden om daar eens iets over te schrijven. Dat kan van alles zijn. Iets uit je dagelijkse leven. Het feit dat je net moeder bent geworden. Dat je net je kat hebt begraven. Van alles kan een startpunt zijn om een verhaal te vertellen. Je moet wel heel goed weten waar je het over wil hebben. En het enige wat ik dan kan zeggen is: klap je laptop open en gewoon gaan.
Waar ik zelf altijd mee begin is met de titelpagina, en meestal heb ik ook een ondertitel. Dat is iets wat ik fijn vind. Dus bij een stuk dat “Mathilde” heet, is de ondertitel “Of: Hoe een Zeeuws meisje een Levend Kunstwerk werd.
“Soeur Sourire. Of: Leven en dood van Gods eendagsvlieg”.
“Bloemenduel. Of: Een geschiedenis van twee vrijgevochten vrouwen”
Omdat je in één zinnetje nog iets extra’s kan vertellen. Het is voor mijn eigen lol en omdat mij dat ook helpt bij wat wil ik vertellen.
Welk advies zou je willen geven aan acteurs die met jouw stukken of überhaupt stukken aan het werk gaan?
Voor mij als acteur is de tekst die voorligt altijd de uitdaging. Ik zou het zelf niet zo zeggen als het in de tekst staat, maar ik ga het wel zo doen. Ik ga niet zomaar dingen lukraak veranderen omdat je denkt: dan bekt het voor mijzelf beter. Je moet ervan uitgaan dat een schrijver iets heeft geschreven met een bedoeling. Namelijk: zo moet het gezegd worden. Als je daar zomaar dingen in gaat veranderen, verander je ongewild die bedoeling. Ik heb het als speler eigenlijk nog nooit gedaan. Ik heb weleens gedacht: ik zou persoonlijk die woordjes omdraaien maar het staat er niet zo, dus ik moet het doen zoals het er staat. Dat is voor mij altijd de uitdaging als speler, want de taal van de schrijver is je vorm. En binnen die vorm moet je als speler kijken, waar de vrijheid zit. Hoe ver kan ik gaan? Hoe lang kan ik die komma rekken of hoe uitgerekt kan ik deze zin laten klinken of juist hoe snel? Maar wel met de woorden die er staan en door de schrijver zijn bedacht.